Recht op eigen ontwikkeling

Iets minder dan 10 jaar geleden heb ik een aantal columns geschreven voor een online forum over het vader zijn. Zonde om daar niets mee te doen. Het forum is in de loop der jaren al verschillende keren vernieuwd enmijn columns staan er al lang niet meer op. De door mij geschreven columns heb ik echter al die tijd bewaard.

 

Recht op eigen ontwikkeling

 

"Goh, wat kan uw kind al?" Een veel gehoorde vraag als je een paar ouders met kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar zet. "Nou, hij kan al vijf woordjes zeggen, hij gaat al zitten, hij kan al bijna zelf staan!"

Je ziet dan altijd wel dat er één kind is dat meer kan dan de rest. Voor de verschillende ouders kan dit heel frustrerend zijn. De ouder waarvan het kind ‘voorloopt' op de andere kinderen, vindt het leuk om te zien wat zijn kind allemaal kan.

Maar het is minder leuk om de gezichten te zien van de ouders die denken dat hun kind zich niet zo snel ontwikkelt als de koplopers. Iedereen wil het liefst dat zijn kind ook tot die koplopers behoort.

Bij mij op de crèche heb ik veel vergelijkingsmateriaal. We werken met een verticale groepsopbouw (kinderen van nul tot vier jaar in één groep). Hierdoor kun je de verschillende ontwikkelingen goed observeren.

Binnen deze verticale groepsopbouw streven wij naar een gestructureerde leeftijdsopbouw. Drie kinderen van nul jaar, drie kinderen van één jaar, drie kinderen van twee jaar en drie kinderen van drie jaar. In de praktijk komt het er op neer dat leeftijdsverschillen binnen die leeftijdsopbouw vaak maar een paar maanden is.

De ene baby loopt al met negenenhalve maand, terwijl de andere baby met tien maanden nog niet kruipt. Kinderen die met één jaar al zelf brood eten en anderen die met veertien maanden nog moeten worden gevoerd.

Hoe ouder de kinderen worden, hoe minder de verschillen opvallen. Op het moment dat de kinderen vier jaar worden, neemt er een groep kinderen afscheid van de crèche, waarvan de ontwikkelingsverschillen van het eerste jaar totaal in het niets lijken te zijn verdwenen.

Heel frustrerend is het om te zien hoe ze daar mee omgaan op het consultatiebureau waar ik met mijn zoon naar toe ga. Ik prijs mijzelf gelukkig met de gezondheid van mijn zoon en met zijn ontwikkeling zit het ook wel snor. Maar als ik zie wat een onrust er soms teweeg wordt gebracht bij ouders waarvan het kind niet helemaal de statische ontwikkellingsstadia volgt, vind ik dat diep treurig. Dan krijgen die ouders te horen: "Dit moet uw kind nu al kunnen doen!"

Een grote groep ouders zal het een worst wezen wat er op het consultatiebureau wordt gezegd. Ze zien dat hun kind gelukkig is en hebben er alle vertrouwen in dat het wel goed komt.

Een andere groep ouders ziet het consultatiebureau als een organisatie die er is ter ondersteuning van het welzijn van hun kind. Zij gaan er vanuit dat het met de deskundigheid van het consultatiebureau wel goed zit. En er zullen ook vast wel bureaus zijn waar op een andere manier met de ontwikkeling van kinderen wordt omgegaan en waar wordt gelet op de zaken die er wel toe doen.

Maar helaas gaat ons consultatiebureau binnen een meerjarenontwikkelingstraject uit van een momentopname, zonder het geheel er bij te betrekken. Vervolgens leggen ze op die momenten de nadruk en spreken de ouders hierop aan.

Hiermee maken ze ouders onzeker en leveren ze een “negatieve” bijdrage aan de ontwikkeling van de individuele kinderen. Met de meeste kinderen komt het allemaal wel goed. Er zullen altijd verschillen in de ontwikkeling blijven bestaan. Maar is dat zo belangrijk? Staat het welzijn en het geluk van het kind niet voorop?

Sander

 

 

copyright Yosy.nl